Kees Vermeulen: ‘Wat ik voor mijn verjaardag wil krijgen? Liefde. Liefde is wat ik mis’

door


Kees Vermeulen zit al op de uitkijk bij het raam, met zicht op de oprijlaan, en steekt bij binnenkomst meteen van wal. Hij heeft het interview tot in de puntjes voorbereid. Op stukjes papier heeft de modieus geklede 100-jarige – zachtgele katoenen broek, okergele sneakers en een bijpassende kleurrijke trui – alle belevenissen geschreven die hij ter sprake wil brengen. ‘Ik doe wat lichte werkzaamheden in huis, zoals stoffen, de meubels onderhouden en koken. Nu, in het voorjaar, eet ik wel drie keer per week asperges met gerookte zalm en ham, heerlijk. Mijn hulp doet de boodschappen, het zwaardere werk in huis en de tuin. Ik ben een groot liefhebber van klassieke muziek. Gisteren heb ik een pianoconcert van Brahms beluisterd, prachtig. Gelukkig is mijn gehoor nog goed. Met mijn vrouw Corrie heb ik al vanaf onze verkeringstijd veel concerten bezocht, later ook veel opera’s met grote zangers als Luciano Pavarotti. Corrie is twee jaar geleden overleden. Ze zei altijd: ‘We zijn net twee klitten.’ We deden alles samen, ik ging ’s avonds nooit in mijn eentje ergens heen. Corrie kocht geen jurk zonder mij. Ik had meer kleurgevoel en oog voor kwaliteit. We hadden een harmonieuze relatie, met veel muziek, tuinieren, reizen, wandel- en fietstochten.’ ‘Corrie zei altijd: ‘Ik hoop dat ik eerder doodga dan jij, want jij kunt beter alleen zijn.’ Dat is ook zo. Ik vermaak mij goed. Ik heb drie hobby‘s: muziek, tuinieren en de effectenbeurs volgen. Zonder kinderen is het wel eenzamer. Kinderen waren in ons leven niet aan de orde, dat was voor ons beiden geen punt.’ ‘Het familieleven was niet bijzonder. Mijn vader was uit 1880, mijn moeder uit 1901. Het leeftijdsverschil was te groot. Dat bleek wel uit de verhoudingen. Mijn vader was weduwnaar met twee kinderen toen hij met mijn moeder trouwde. Ik denk dat zij eerst zijn huishoudster was. Zestien jaar na mij, in 1939, is er nog een meisje geboren. Met haar heb ik het contact verloren. We hebben geen ruzie gehad hoor, het leeftijdsverschil was erg groot. Ik denk dat ze nog leeft. ‘Mijn vader was boomkweker in Boskoop. Voor de aanleg van de spoorlijn Gouda-Leiden werd hij uitgekocht. We verhuisden naar Zeist, waar ik naar een school van de hernhutters ging. Heel deftig was het daar, met kinderen met dubbele achternamen als Van Voorst tot Voorst. Wij jongens droegen een plusfour, een pofbroek met pijpen tot net onder de knie. ‘Op mijn 10de verhuisden we naar Maarssen. Van de deftige christelijke school kwam ik op een openbare boerenschool terecht. De onderwijzer liet mij vaak voorlezen. Later begreep ik dat hij mijn keurige uitspraak van het Nederlands ten voorbeeld wilde stellen. Dolly was het mooiste meisje van de klas. Op haar bruiloft na de oorlog zou ik Corrie leren kennen.’ ‘Een heel gewone jongen, wat verlegen, én avontuurlijk. Als ik naar de kinderen van nu kijk, dan besef ik dat ik al jong heel zelfstandig was. Mijn ouders lieten mij mijn gang gaan. Op mijn 8ste gingen mijn vriend Bart en ik op de autoped naar Soesterberg. Voor mijn 12de verjaardag kreeg ik een shelter, een kleine tent. Die zomer ben ik met mijn halfzus Greetje van 17 op een ouderwetse fiets naar Limburg gegaan, met de tent, een primus en steelpannetje achterop. Op mijn 14de fietste ik met mijn vriend Wouter naar Friesland. We sliepen bij een boer in de hooiberg of in mijn tentje in het weiland. Ik was 17 toen ik in mijn eentje een fietstocht maakte naar België, door de Ardennen en naar Brussel. Op een grasveldje voor een flatgebouw, midden in de stad, zette ik de shelter op. Onderweg ontmoette ik een jongen uit Nijmegen, die ook alleen op avontuur was. Samen hebben we wat ondeugende dingen gedaan. In een zwembad gluurden we door kieren in kleedhokjes naar de dames. We verlieten in de nacht de camping, dan hoefden we niet te betalen.’ ‘Ik heb altijd van reizen en veranderingen gehouden. Ik heb vijf banen gehad, steeds betere. Na de mulo A en B ben ik gaan werken, op de incasso-afdeling van de Amsterdamsche Bank in Utrecht. Overtollig geld van de kassier moest ik lopend naar De Nederlandsche Bank brengen, zo’n 500 meter verderop. Het is nooit misgegaan. Een keer was er een grote lading kolen verhandeld en liep ik met 70 duizend gulden over straat. De biljetten stopte ik in de binnenzakken van mijn jas. ‘Ik heb altijd alles zelf betaald, ook mijn zwemlessen – dat waren mijn ouders vergeten – en mijn opleiding handelscorrespondentie Nederlands en Duits. Die deed ik naast mijn werk. In de oorlog heb ik daar nog veel profijt van gehad. In 1943 kwam de oproep voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Veel jongens gingen onderduiken. Die relaties en adressen had ik niet. Dankzij mijn diploma’s mocht ik in Hattingen, in het Ruhrgebied, op een kantoor werken. Met twintig man sliep ik in een huis voor ongehuwden. Ik had het betrekkelijk goed getroffen. Ik deed mijn werk en was verder vrij man, kon gaan en staan waar ik wilde. Ik ging naar de bioscoop, had twee keer verkering, met Agnes en Hannelore, en leende van de bibliotheek boeken over Goethe, pittige kost. Ja, ik had het hoog in mijn hoofd. Ook ging ik vaak naar concerten. In Hattingen hoorde ik voor het eerst Winterreise van Schubert. Er zaten alleen maar mannen in de zaal. Na afloop brachten ze de Hitlergroet. Ik stond daar een beetje lullig tussen en bewoog wat slapjes met mijn arm, niemand die het opviel.’ ‘In december 1945 kon ik aan de slag bij een groot accountantskantoor in Utrecht. Daar heb ik het vak van accountant geleerd. In de avonduren studeerde ik handelswetenschappen. Dat was 2,5 jaar blokken. Van de studenten haalde slechts 15 procent zijn diploma. Een van de mooiste momenten in mijn leven was in 1948, toen ik te horen kreeg dat ik in één keer was geslaagd en Corrie mij tegemoet kwam hollen om mij te feliciteren.’ (Hij raakt geëmotioneerd) ‘Het was zwaar geweest. Een werkweek telde in die tijd zes dagen. ‘Een paar dagen later mocht ik van mijn baas in een Dakotaatje voor een opdracht naar het kantoor in Parijs. Toen ik terugkwam, zei ik tegen Corrie: ‘We gaan samen veertien dagen naar Parijs. We voeren over de Seine, zagen stripteaseshows en maakten onze eerste opera mee: Die Walküre van Wagner. Het begin van vele reizen samen; met een rugzak en een tentje, liftend of met de trein en bus Europa door. Dit was vóór het massatoerisme. In de jaren veertig en vijftig gingen weinig mensen zo ver op vakantie. We gaven dia-avonden voor de huisvrouwenvereniging. ‘Ik ging als adjunct-accountant op het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen werken, waar ik onder andere de bouw van de TU Eindhoven controleerde. Op mijn 45ste kreeg ik een topbaan bij de Universiteit Utrecht, als staffunctionaris. In die functie heb ik één keer een geval van fraude ontdekt, maar daar mag ik niets over zeggen. Wat ik ervan geleerd heb, is dat je oplettend moet zijn bij mensen die té aardig lijken te zijn. ‘Ik kon directeur worden bij de Stichting Verpleeghuizen Nederland. Er waren toen twee verpleeghuizen voor dementerende bejaarden en dat moesten er meer worden. Het was de tijd dat de overheid steeds meer zorg op zich nam. Ik besloot mijn baan bij de universiteit op te zeggen, waar ik een hele Piet was geworden. Mijn directe leidinggevende, een ongetrouwde vrouw, vond dat heel erg. Het stikte op de universiteit trouwens van de ongetrouwde vrouwen.’ ‘Als een mooi leven. Alles is positief uitgepakt. Ik heb nooit fouten gemaakt, ook niet op mijn werk. Mijn glorietijd had ik bij de universiteit, daar ben ik in vier jaar tijd twee keer bevorderd. Ik had er een goede naam. Ik ben een beetje een opschepper, maar zoals ik het vertel, is het gegaan. Mijn huwelijk had ik niet anders willen doen. Na mijn pensioen hebben we acht jaar in Oostenrijk gewoond, vlak bij Wenen. Dat was onze gelukkigste tijd, we hebben er zeventig opera’s gezien. Achteraf hadden we langer kunnen blijven. Ik was 68 jaar toen we terugkeerden naar Nederland. We wilden in eigen land sterven, niet wetende dat er nog heel veel jaren voor ons lagen.’ ‘Dan zou ik toch Tineke, mijn hulp, moeten zeggen. Ik kan geen betere krijgen. Ze vroeg wat ik voor mijn verjaardag wilde. Ik zei: liefde. Liefde is wat ik mis. Ik had nog één familielid van Corries kant dat ik goed kende, die is pas overleden. Ook mijn overbuurman is onlangs gestorven. Het groepje om mij heen wordt steeds kleiner, er is haast niks meer over.’ ‘Ik weet niet waar ze is en zie niet in wat het zou brengen na zoveel jaren. Ik zou het wel leuk vinden als er geregeld iemand uit de buurt langs kwam voor een praatje.’ geboren: 25 april 1923 in Boskoop woont: zelfstandig, in Westerveld beroep: accountant familie: een zus weduwnaar: sinds 2020